Financiële begroting op hoofdlijnen

De financiële begroting van de gemeente Gorinchem wordt in dit hoofdstuk op hoofdlijnen uiteengezet. Dit gebeurt aan de hand van de ontwikkeling van het begrotingssaldo, de algemene reserve en de ontwikkeling van de balans.

Verloop van het begrotingssaldo
Het vertrekpunt voor het financieel meerjarenperspectief van de Begroting 2020 is het door de gemeenteraad vastgestelde perspectief bij de Begroting 2019. Bijstellingen van dit perspectief worden maandelijks in de raadsvergaderingen aan de gemeenteraad ter besluitvorming voorgelegd. Het (bijgestelde) perspectief van de maand mei vormde de basis voor de Perspectiefnota 2020-2023. Na de besluitvorming over de perspectiefnota toonden de verschillende jaren een positief saldo, met uitzondering van het jaar 2022, waar sprake was van een beperkt tekort. Nadien is het meerjarenperspectief nog beperkt neerwaarts bijgesteld door de Tussentijdse Rapportage 2019.

Met dit bijgestelde perspectief is de begroting vervolgens opgesteld. Bij het opstellen van de begroting is het saldo (beperkt) bijgesteld. Hieronder wordt dit schematisch weergegeven.

Begrotingssaldo (bedragen in € x 1.000;
- = nadeel)

2020

2021

2022

2023

Saldo primitieve begroting 2020-2023 in begroting 2019

0

0

0

675

Diverse raadsbesluiten (t/m mei 2019)

0

0

0

0

Saldo voor Perspectiefnota 2020-2023

0

0

0

675

Besluitvorming Perspectiefnota

609

49

-266

-520

Saldo na Perspectiefnota

609

49

-266

155

Turap 2019

-63

-67

-37

-37

Saldo na Turap 2019

546

-18

-303

118

Veerdienst (wegvallen provinciale subsidie)

-130

-130

Veerdienst (vertraging businesscase)

-139

CAO-ontwikkeling

-90

-90

-90

-90

Dekking septembercirculaire

90

90

90

90

Overige bijstellingen begroting

-51

-152

-14

-5

Meerjarig begrotingssaldo begroting 2020-2023

365

-439

-317

113

Het meerjarenperspectief toont een positief saldo in 2020 en 2023. In de jaren 2021 en 2022 is sprake van een negatief saldo.

Toelichting bijstellingen begroting
We hebben te maken met de volgende bijstellingen in de begroting:

  • Het terugdraaien van de oude businesscase Veerdienst in de begroting zorgt voor een nadeel. De eerder
    ingeboekte besparing om de wegvallende provinciale subsidie op te vangen wordt nog niet gerealiseerd, hetgeen betekent dat de gemeente geconfronteerd wordt met een nadeel in 2020 en 2021 van 130.000 (vanaf 2022 wordt de besparing waarschijnlijk alsnog gerealiseerd op basis van een nieuwe businesscase).
  • Daarnaast was in de Perspectiefnota rekening gehouden met een voordeel op de kapitaallasten van de nieuwe veerboten, doordat de boten later gebouwd zouden worden. Hierbij is er echter geen rekening gehouden met het feit dat de kapitaallasten van de huidige boten nog doorlopen. Dit zorgt in 2021 voor een nadeel.
  • De CAO-ontwikkeling in de salarissen is hoger dan waar in de PPN rekening mee was gehouden (ca. 90.000). Omdat deze extra kostenpost gecompenseerd wordt via het gemeentefonds, is ervoor gekozen om reeds rekening te houden met deze compensatie.

Belangrijke ontwikkelingen meerjarensaldo
Medio september 2019 is de septembercirculaire van het gemeentefonds verschenen. De wijzigingen die uit deze circulaire naar voren komen, zijn nog niet verwerkt in de budgetoverzichten bij de diverse programma's en paragrafen. Het effect van de septembercirculaire op de algemene uitkering is hieronder weergegeven. We hebben met het oog op een verwachte compensatie van de doorgevoerde loonindex (CAO) wel alvast een stelpost opgenomen van € 90.000 in de begroting 2020-2023, daarom wordt deze gecorrigeerd op het saldo.

Begrotingssaldo (bedragen in € x 1.000; - = nadeel)

2020

2021

2022

2023

Begrotingssaldo

365

-439

-317

113

Effecten septembercirculaire gemeentefonds

490

1.129

1.274

1.077

Reeds ingezet voor loonindex in begroting

-90

-90

-90

-90

Bijgesteld begrotingssaldo

765

600

867

1.100

Het bijgestelde begrotingssaldo is nu in alle jaren positief. Toch moet bij deze positieve saldi een kanttekening worden geplaatst. De financiële ontwikkelingen in het Sociaal Domein geven aanleiding tot terughoudendheid ten aanzien van de inzet van de hierboven genoemde saldi. In het kort gaat het om de volgende ontwikkelingen:

Uitvoering Participatiewet en de BUIG

Bij de zienswijze die is uitgebracht op de begroting 2020 van onze gemeenschappelijke regeling Avres zijn zorgen geuit over de houdbaarheid van hun meerjarenperspectief. Een van de onderwerpen hierin was het structureel geraamde overschot op de jaarlijkse BUIG-middelen (budget voor de uitkeringen), dat ingezet werd om een sluitende begroting te realiseren. Inmiddels is duidelijk geworden dat dit structureel geraamde overschot van € 1,75 mln. verlaagd moet worden naar maximaal € 0,5 mln. overschot. Voor een structureel sluitende begroting is het van belang dat deze tegenvaller gecompenseerd wordt met structurele maatregelen. Op basis van de huidige inzichten is daarvoor momenteel € 0,5 mln. gevonden, maar het is nog niet zeker of het restant van € 0,75 mln. met inhoudelijke maatregelen opgelost kan worden. Inmiddels is duidelijk dat Avres voor 2020 geen beroep zal doen op een verhoogde gemeentelijke bijdrage, maar voor de jaren daarna is dit niet uitgesloten. Op basis van het nu bekende tekort van € 0,75 mln, zou dit (mogelijk) leiden tot een aanvullende gemeentelijke bijdrage van circa € 0,33 mln. vanuit de gemeente Gorinchem. In het eerste kwartaal 2020 wordt een "knoppennotitie" door Avres opgesteld ten aanzien van de aanvullende taakstellingen in hun begroting van € 0,5 mln. in 2021 oplopend naar € 1 mln. vanaf 2022. In de gemeentelijke begroting 2020 gaat de gemeente ervan uit dat die taakstellingen volledig en volgens planning worden gerealiseerd.

Uitvoering jeugdwet

De gemeenschappelijke regeling Dienst Gezondheid en Jeugd die de jeugdwet voor de gemeenten in de regio uitvoert, heeft een omdenknotitie opgesteld en op basis daarvan een meerjarenperspectief gepresenteerd. Hierin nemen de jaarlijkse lasten in de komende 3 jaren af met € 15 mln. voor de regio. De onderbouwing van deze kostenreductie is nog niet op alle onderdelen concreet gemaakt. Er ligt dus een risico dat de afname van de kosten niet zo snel gaat als gepland, of (gedeeltelijk) niet gehaald wordt. Daarbij kenmerkt de jeugdzorg zich door een grote mate van onvoorspelbaarheid op het kostenverloop. Ook hier ligt een reële kans dat een aanvullend beroep op gemeentelijke middelen wordt gedaan in de komende jaren, e.e.a. in afwachting van een verdere uitwerking van de omdenknotitie. In de context dat de extra ontvangen Rijksmiddelen voor de jeugdzorg slechts tijdelijk van aard zijn, kan dit (met name) vanaf 2022 een extra claim op voor de gemeentelijke begroting betekenen (zie hieronder).

Begrotingssaldo (bedragen in € x 1.000; - = nadeel)

2020

2021

2022

2023

Begrotingssaldo na septembercirculaire

765

600

867

1.100

Risico Participatie en BUIG

-330

-330

-330

Risico uitvoering Jeugdwet

-194

-134

-846

-846

Verwachte ontwikkeling begrotingssaldo

571

136

-309

-76

De hierboven geschetste ontwikkelingen zijn onzeker en zullen we nauwkeurig blijven volgen. Het hierboven geschetste meerjarenbeeld geeft inzicht in de mate waarin die ontwikkelingen van invloed kunnen zijn op de gemeentelijke begroting. Het begrotingssaldo na de septembercirculaire is (nagenoeg) toereikend om deze (mogelijke) extra financiële claims op te vangen. Het is dan ook vanuit dit perspectief dat het college voorstelt om geen aanvullende claims te leggen op dit begrotingssaldo, totdat er concrete duidelijkheid is.

IBP-middelen
Van de in 2018 beschikbaar gestelde IBP-middelen is inmiddels ca. 2/3 ingezet in de begroting, te weten 1/3 in de begroting 2019 voor loon- en prijsontwikkelingen en 1/3 voor het Sociaal Domein. Het bedrag dat nu nog beschikbaar is voor het realiseren van de (landelijke) 10 opgaven, is hieronder weergegeven. Extra gemeentelijke uitgaven voor deze opgaven worden eerst uit deze IBP-middelen gedekt. Het college gaat in het voorjaar van 2020 aan de slag met een voorstel over de inzet van deze middelen en zal dit betrekken bij de Perspectiefnota 2021.

(bedragen in € x 1.000)

2020

2021

2022

2023

Restant IBP-stelpost

764

1.045

1.165

1.083

Verloop algemene reserve
Het begrotingssaldo 2019 zal aan het einde van het jaar worden toegevoegd aan de algemene reserve. Op basis van de huidige inzichten zal dit saldo ongeveer € 1,4 mln. zijn (inclusief de bijstelling die volgt uit de Turap 2019). Het incidentele nadeel dat voorkomt uit de Septembercirculaire 2019 gaat er nog vanaf. In onderstaand overzicht wordt dit schematisch weergegeven.

Ontwikkeling algemene reserve (- = onttrekking, + = toevoeging, bedragen x € 1.000)

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Algemene Reserve begin boekjaar

24.115

26.858

26.499

26.338

26.338

Af: incidentele inzet in PPN 2017 en 2018

-125

-220

-80

Bij/Af: Begroting 2019

309

-139

-81

Bij: resultaatbestemming jaarrekening 2018

1.215

Bij: Opheffing reserve Staerk (PPN2020)

163

Bij: begrotingssaldo 2019 volgens Turap 2019

1.383

Af: effecten septembercirculaire 2019

-202

Stand Algemene Reserve ultimo boekjaar

26.858

26.499

26.338

26.338

26.338

Risico's
Het risicoprofiel van onze gemeente is geactualiseerd, conform de uitgangspunten die in de nota reserves, voorzieningen en weerstandsvermogen door de gemeenteraad op 5 oktober 2017 zijn vastgesteld. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing vindt u een toelichting hierop. De geactualiseerde weerstandsratio komt uit op 2.

Balansverloop op hoofdlijnen
In onderstaand overzicht is het meerjarig verloop van de activa, reserves, voorzieningen en leningen opgenomen, om een globaal beeld te schetsen van de financiële (balans)ontwikkelingen.

Ontwikkeling balansposten (stand 1-1, bedragen in € x 1.000)

2020

2021

2022

2023

Materiële vaste activa

167.890

180.867

184.545

188.818

Reserves

56.246

55.253

56.013

56.314

Voorzieningen

17.991

16.683

17.313

18.319

Vaste schulden

143.426

155.335

155.240

167.140

Het verloop van de activa is de resultante van nieuwe investeringen en afschrijvingen op reeds gedane investeringen. In 2021 nemen de activa aanzienlijk toe, de beoogde investeringen m.b.t. onderwijs zijn hiervoor een belangrijke oorzaak. In ieder programma van de beleidsbegroting is een overzicht opgenomen met de nieuwe investeringen voor 2020. Omdat de investeringen gefinancierd moeten worden, vertoont het schuldenniveau een toename. De reserves en voorzieningen vertonen geen substantieel verloop. In overleg met de klankbordgroep Financiën wordt er in 2020 gesproken over de mogelijkheden om de schuldpositie te verbeteren. Mede op basis van de uitkomsten van die gesprekken zal er bepaald worden op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven. De (mogelijke) opbrengst van de verkoop van de Eneco-aandelen is nog niet in bovenstaand perspectief meegenomen, maar zal hier t.z.t. mogelijk/gedeeltelijk wel bij worden betrokken.

Autorisatieniveau
Het autorisatieniveau, te weten het niveau waarop de raad de baten en lasten goedkeurt en financiële middelen beschikbaar stelt aan het college om het beleid uit de begroting uit te voeren, is gehandhaafd op programmaniveau. Dit is in overeenstemming met art. 5.1 van de Financiële verordening 212. Informatieverstrekking vindt plaats op taakveldniveau, dus een detailniveau lager dan het programma. Voor de nieuwe investeringen is het autorisatieniveau het budget van de individuele investering. Overeenkomstig art. 5.2 van de Financiële verordening kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen.